PORTRETTEN

Strak in pak

Uniformen, we hebben ze bij Amsterdam UMC in alle soorten en maten. Maar wie draagt wat? En hoe voelt dat? Vier collega’s over hun werkoutfit.

Tekst:Jasperina Roozendaal en Jolien van der Kleij - Beeld: Mark van den Brink

Jessy Edens

Medewerker decentraal bevoorradingsteam

“In mijn blauwe pantalon met witte jas en een scanner op zak zorg ik samen met mijn collega’s voor de bevoorrading van alle afdelingen. Van pennen tot naalden en van washandjes tot luiers. Eigenlijk alles. Ik begin iedere werkdag bij de kledingautomaat en sta stipt om half acht klaar in mijn uniform. Zodra ik dat aantrek, heb ik een werkmindset. Het zorgt voor een bepaalde concentratie en het doet iets met het teamgevoel. Ik ben pas 19 jaar en heb ook collega’s van 40 en 50. Ondanks het leeftijdsverschil zorgt eenzelfde outfit voor gelijkwaardigheid en collegialiteit.”


“Ik begin mijn ronde met het tellen en scannen van alle voorraden. Collega’s in het magazijn zien dat in het systeem, verzamelen spullen en zetten die klaar. Bij mijn volgende ronde vul ik die aan in kasten en patiëntenkamers. Dit werk is een goede work-out: op een werkdag loop ik minstens tien kilometer. Door die witte jas zien patiënten me regelmatig aan voor arts of verpleegkundige. Als ze de weg willen weten, wijs ik die graag. Maar als ze medische vragen hebben, roep ik er een zorgcollega bij. De meeste collega’s zien ons dagelijks voorbijkomen, maar weten lang niet altijd hoe complex het proces achter bevoorrading is. Dat geeft helemaal niet. We zeggen als team altijd: we zijn graag de zichtbare, onzichtbare kracht in huis.” 

‘We zijn de zichtbare, onzichtbare kracht in huis’

Karoline Offerman

Medewerker receptie en telefooncentrale

“Op locatie AMC hebben we sinds kort een nieuw uniform voor de medewerkers en vrijwilligers van het ontvangstgebied. Feestelijk gepresenteerd in de Vrijzaal met een modeshow, 0.0-champagne en wat lekkers. Heel leuk! Toen ik het de eerste dag aanhad, liep ik toch wel een beetje te zwieren. Omdat het nieuw is en ik vind het ook leuk staan. Ik heb een set van drie broeken, twee shirts, twee vestjes en een wat langer shirt met knoopjes en een kraagje. Dat is denk ik in de zomer fijn als het vestje te warm is.”

“Het vorige uniform was wat stijver. Heel keurig hoor, met een witte blouse, jasje en giletje. Maar het was ook een beetje oubollig, niet meer van deze tijd. Voordat we het nieuwe uniform kregen, mochten twee collega’s proeflopen. Je kon er dan nog even aan voelen en vragen of het lekker zat. En dat zit het! De kleding is gemaakt van travelstof, van Studio Anneloes. Dat kreukt niet en is lekker flexibel. Je mocht kiezen uit drie typen broeken, een flared, een wijde en een meer aansluitende. Het is dat er logo’s op staan, anders zou ik het zo naar een verjaardag aandoen.”

“De donkerblauwe kleur is mooi, dat staat iedereen. En de sjaal geeft kleur. Bij de receptie zijn we toch ook het visitekaartje van Amsterdam UMC. Patiënten en bezoekers zien ons bij binnenkomst vaak als eersten.” 

‘Toen ik het de eerste dag aanhad, liep ik toch wel een beetje te zwieren’

Sanne van Rijn

OK-assistent

“Mijn werkdag start in de kleedkamer waar een wand vol blauwe pakken hangt. Niet hoeven nadenken over wat ik aandoe naar werk is handig, maar soms ook jammer. Make-up, klompen en sokken zijn de enige manieren om mijn outfit te onderscheiden. Daarom draag ik graag gekke sokken en klompen met een printje. Op de OK komen er nog een steriele jas, muts, mondkapje en bril bij. Het hele operatieteam ziet er dan hetzelfde uit: chirurgen, anesthesiecollega’s en OK-assistenten. Meestal twee van ieder. Als we beginnen, voert de anesthesioloog het gesprek met de patiënt, terwijl ik bezig ben met materialen.”

“Als OK-assistent sta je bij allerlei ingrepen. Je wordt beter door veel uren te maken en door cursussen te doen. Mijn specialisaties zijn heelkunde, urologie en de Da Vinci-robot. Werken met de robot vind ik het leukst, omdat ik dan echt de assistent van de chirurg ben. De chirurg bestuurt de robot vanuit de console, terwijl ik naast de patiënt sta om de robotarmen te verwisselen, bloed weg te zuigen of een clipje op een bloedvat te zetten. Na iedere operatie vervangen we de buitenste laag van ons uniform. Het pak en de muts gaan aan het einde van de werkdag de was in. Omdat mijn haar de hele dag onder die muts is weggestopt, zitten er na afloop allerlei gekke vouwen in. Dus buiten de OK is een haarborstel mijn belangrijkste instrument.”

‘Make-up, klompen en sokken zijn de enige manieren om mijn outfit te onderscheiden’

René Leen

Laborant genetisch metabole ziekten

“Als ik loop, rammelen de spatels, pincetten, pennen en roerbonen - dat zijn magnetische roerstaafjes - in de zakken van mijn labjas een beetje tegen elkaar. Mijn labjas heeft twee zakken en twee borstzakken, waarin ik alles bewaar wat ik nodig heb voor mijn werk. Als ik echt een experiment ga doen dan kunnen er ook nog pipetten uit mijn zakken steken en een timer aan mijn borstzakje hangen.”

“In het lab val je op als je geen jas aan hebt. Ik noem hem daarom ook wel mijn camouflagejas. Buiten het laboratorium moet je jas uit, omdat je met chemische stoffen werkt. Zelfs als je over de gang moet om in het andere lab iets te halen. Maar dat is eigenlijk niet te doen. Strikte regels volgen is soms echt lastig in de praktijk. De jas beschermt maar bedekt niet alles. Het is eigenlijk een doktersjas met lange mouwen, die je met drukkertjes vast moet zetten. Als je een dikke trui aan hebt, zit dat een beetje vervelend. Maar ze moeten wel dicht, anders heb je een losse mouw en schep je alles omver. Met een grijns: “De kleding moet ook niet te comfortabel zitten, zodat je geen workaholic wordt.”

“De jas hoort echt bij het laboratorium. In elk lab hangt een lange rij met witte jassen. Ik prik altijd een gele Minion-button achter op mijn jas, zo valt die van mij meteen op. Ook wel vrolijk op een werkplek die verder zo wit en steriel is.” 

‘Als ik loop, rammel ik een beetje, vanwege alle instrumenten’

DNA  •  medewerkersblad van Amsterdam UMC 

PORTRETTEN

Strak in pak

Tekst:Jasperina Roozendaal en Jolien van der Kleij - Beeld: Mark van den Brink

Uniformen, we hebben ze bij Amsterdam UMC in alle soorten en maten. Maar wie draagt wat? En hoe voelt dat? Vier collega’s over hun werkoutfit.

Jessy Edens

Medewerker decentraal bevoorradingsteam

“In mijn blauwe pantalon met witte jas en een scanner op zak zorg ik samen met mijn collega’s voor de bevoorrading van alle afdelingen. Van pennen tot naalden en van washandjes tot luiers. Eigenlijk alles. Ik begin iedere werkdag bij de kledingautomaat en sta stipt om half acht klaar in mijn uniform. Zodra ik dat aantrek, heb ik een werkmindset. Het zorgt voor een bepaalde concentratie en het doet iets met het teamgevoel. Ik ben pas 19 jaar en heb ook collega’s van 40 en 50. Ondanks het leeftijdsverschil zorgt eenzelfde outfit voor gelijkwaardigheid en collegialiteit.”


“Ik begin mijn ronde met het tellen en scannen van alle voorraden. Collega’s in het magazijn zien dat in het systeem, verzamelen spullen en zetten die klaar. Bij mijn volgende ronde vul ik die aan in kasten en patiëntenkamers. Dit werk is een goede work-out: op een werkdag loop ik minstens tien kilometer. Door die witte jas zien patiënten me regelmatig aan voor arts of verpleegkundige. Als ze de weg willen weten, wijs ik die graag. Maar als ze medische vragen hebben, roep ik er een zorgcollega bij. De meeste collega’s zien ons dagelijks voorbijkomen, maar weten lang niet altijd hoe complex het proces achter bevoorrading is. Dat geeft helemaal niet. We zeggen als team altijd: we zijn graag de zichtbare, onzichtbare kracht in huis.” 

‘We zijn de zichtbare, onzichtbare kracht in huis’

Karoline Offerman

Medewerker receptie en telefooncentrale

“Op locatie AMC hebben we sinds kort een nieuw uniform voor de medewerkers en vrijwilligers van het ontvangstgebied. Feestelijk gepresenteerd in de Vrijzaal met een modeshow, 0.0-champagne en wat lekkers. Heel leuk! Toen ik het de eerste dag aanhad, liep ik toch wel een beetje te zwieren. Omdat het nieuw is en ik vind het ook leuk staan. Ik heb een set van drie broeken, twee shirts, twee vestjes en een wat langer shirt met knoopjes en een kraagje. Dat is denk ik in de zomer fijn als het vestje te warm is.”

“Het vorige uniform was wat stijver. Heel keurig hoor, met een witte blouse, jasje en giletje. Maar het was ook een beetje oubollig, niet meer van deze tijd. Voordat we het nieuwe uniform kregen, mochten twee collega’s proeflopen. Je kon er dan nog even aan voelen en vragen of het lekker zat. En dat zit het! De kleding is gemaakt van travelstof, van Studio Anneloes. Dat kreukt niet en is lekker flexibel. Je mocht kiezen uit drie typen broeken, een flared, een wijde en een meer aansluitende. Het is dat er logo’s op staan, anders zou ik het zo naar een verjaardag aandoen.”

“De donkerblauwe kleur is mooi, dat staat iedereen. En de sjaal geeft kleur. Bij de receptie zijn we toch ook het visitekaartje van Amsterdam UMC. Patiënten en bezoekers zien ons bij binnenkomst vaak als eersten.” 

‘Toen ik het de eerste dag aanhad, liep ik toch wel een beetje te zwieren’

Sanne van Rijn

OK-assistent

“Mijn werkdag start in de kleedkamer waar een wand vol blauwe pakken hangt. Niet hoeven nadenken over wat ik aandoe naar werk is handig, maar soms ook jammer. Make-up, klompen en sokken zijn de enige manieren om mijn outfit te onderscheiden. Daarom draag ik graag gekke sokken en klompen met een printje. Op de OK komen er nog een steriele jas, muts, mondkapje en bril bij. Het hele operatieteam ziet er dan hetzelfde uit: chirurgen, anesthesiecollega’s en OK-assistenten. Meestal twee van ieder. Als we beginnen, voert de anesthesioloog het gesprek met de patiënt, terwijl ik bezig ben met materialen.”

“Als OK-assistent sta je bij allerlei ingrepen. Je wordt beter door veel uren te maken en door cursussen te doen. Mijn specialisaties zijn heelkunde, urologie en de Da Vinci-robot. Werken met de robot vind ik het leukst, omdat ik dan echt de assistent van de chirurg ben. De chirurg bestuurt de robot vanuit de console, terwijl ik naast de patiënt sta om de robotarmen te verwisselen, bloed weg te zuigen of een clipje op een bloedvat te zetten. Na iedere operatie vervangen we de buitenste laag van ons uniform. Het pak en de muts gaan aan het einde van de werkdag de was in. Omdat mijn haar de hele dag onder die muts is weggestopt, zitten er na afloop allerlei gekke vouwen in. Dus buiten de OK is een haarborstel mijn belangrijkste instrument.”

‘Make-up, klompen en sokken zijn de enige manieren om mijn outfit te onderscheiden’

René Leen

Laborant genetisch metabole ziekten

“Als ik loop, rammelen de spatels, pincetten, pennen en roerbonen - dat zijn magnetische roerstaafjes - in de zakken van mijn labjas een beetje tegen elkaar. Mijn labjas heeft twee zakken en twee borstzakken, waarin ik alles bewaar wat ik nodig heb voor mijn werk. Als ik echt een experiment ga doen dan kunnen er ook nog pipetten uit mijn zakken steken en een timer aan mijn borstzakje hangen.”

“In het lab val je op als je geen jas aan hebt. Ik noem hem daarom ook wel mijn camouflagejas. Buiten het laboratorium moet je jas uit, omdat je met chemische stoffen werkt. Zelfs als je over de gang moet om in het andere lab iets te halen. Maar dat is eigenlijk niet te doen. Strikte regels volgen is soms echt lastig in de praktijk. De jas beschermt maar bedekt niet alles. Het is eigenlijk een doktersjas met lange mouwen, die je met drukkertjes vast moet zetten. Als je een dikke trui aan hebt, zit dat een beetje vervelend. Maar ze moeten wel dicht, anders heb je een losse mouw en schep je alles omver. Met een grijns: “De kleding moet ook niet te comfortabel zitten, zodat je geen workaholic wordt.”

“De jas hoort echt bij het laboratorium. In elk lab hangt een lange rij met witte jassen. Ik prik altijd een gele Minion-button achter op mijn jas, zo valt die van mij meteen op. Ook wel vrolijk op een werkplek die verder zo wit en steriel is.” 

‘Als ik loop, rammel ik een beetje, vanwege alle instrumenten’

DNA  •  medewerkersblad van Amsterdam UMC